200 jaar samen sterk

Al 200 jaar bouwen we vol passie aan vooruitgang. Twee eeuwen geleden opende in Amsterdam een winkel onder de naam Gunters. Nu - 200 jaar later - is dit Gunters & Meuser, onderdeel van Isero: een krachtige bundeling van expertise en vakmanschap. Samen vormen we één merk dat staat voor betrouwbaarheid, expertise en een rijke historie - en daar zijn we trots op! Maar onze grootste trots? Onze klanten. Zij zijn al 200 jaar de reden dat we blijven vernieuwen, groeien en het beste leveren. Samen met hen bouwen we aan duurzame relaties en vooruitgang, vandaag én morgen.


Geschiedenis van Gunters en Meuser

Het verhaal van Gunters & Meuser begint in 1826, wanneer de twintigjarige Jan Gunters samen met zijn moeder een klein winkeltje opent aan de Prinsengracht. Met slechts “zeven duiten” als startkapitaal bouwt hij zijn klantenkring op door ’s avonds met een kist schoenmakersgereedschap langs de deuren in de Jordaan te gaan. In de loop van de negentiende eeuw groeit het winkeltje uit tot een bekende ijzerwarenhandel, waar steeds meer vaklieden hun materialen komen halen.

In 1875 volgt een belangrijke stap wanneer Carel Meuser als compagnon toetreedt en de onderneming verdergaat onder de naam Gunters & Meuser. Het assortiment breidt zich uit en de reputatie binnen de bouwsector groeit snel. Door de toenemende bedrijvigheid wordt in 1882 het buurpand aangekocht.

Rond 1900 staat de derde generatie aan het roer en is het bedrijf zo gegroeid dat de bestaande panden niet meer voldoen. Ondanks de onzekere jaren rond de Eerste Wereldoorlog kiest de onderneming voor de toekomst met de bouw van een nieuw pand op de hoek van de Egelantiersgracht en de Prinsengracht.

In 1917-1918 opent dit monumentale gebouw zijn deuren en wordt het, met zijn glaswerk, siermetselwerk en de markante geveltekst “HANDEL IN IJZERWAREN”, een herkenningspunt in de Jordaan. Daarmee sluit het de pioniersjaren af en begint een nieuwe fase.

Vanaf het begin van de twintigste eeuw groeit Gunters & Meuser uit tot een vertrouwd adres voor bouwlieden en ambachtslieden in Amsterdam. Ook in moeilijke tijden blijft de winkel open en behouden klanten hun weg naar het pand aan de Egelantiersgracht. De naam raakt steeds sterker verbonden met vakkennis, service en betrouwbaarheid, en trekt vakmensen uit de hele regio. Tijdens de Tweede Wereldoorlog blijft de winkel eveneens geopend.

In de jaren vijftig volgt opnieuw groei, mede door de overname van Van Aalten. In 1966 introduceert Gunters & Meuser als een van de eersten in de sector zelfbediening, waarbij de winkel volledig wordt vernieuwd. In de daaropvolgende jaren breidt het bedrijf zich verder uit met nieuwe vestigingen in en rond Amsterdam. Het blijft zich ontwikkelen, van magazijnautomatisering tot duurzamere keuzes in winkel en assortiment.

Sinds 2017 maakt de onderneming deel uit van de Isero-groep. De merknaam en het karakter zijn behouden, waardoor de rijke geschiedenis tot op de dag van vandaag voelbaar blijft binnen een organisatie die stevig in de branche staat.


Meten is weten, de geschiedenis van de rolmaat

Van zo nauwkeurig mogelijk meten naar precisie tot op de millimeter was lange tijd een grote stap. Vóór de negentiende eeuw werkten vaklieden vooral met linnen of leren meetlinten, die door slijtage en vocht merkbaar konden uitrekken. Voor grotere afstanden gebruikten landmeters zware kettingmaten, zoals de Gunter-ketting, die onhandig waren om mee te nemen en te gebruiken. Echt precies meten was lastig en daarom grepen vakmensen vaak terug op lichaamsmaten zoals de duim, handspan of ellebooglengte als snelle referentie.

Lees verder

Daarin kwam verandering toen James Chesterman uit Sheffield in 1829 een flexibel stalen meetlint patenteerde. Hij zag dat plat verenstaal, bekend uit de hoepelrok-industrie, uitstekend geschikt was als meetlint. In tegenstelling tot stoffen banden rekte dit stalen lint nauwelijks uit, bleef het strak tijdens het meten en kon het compact worden opgerold zonder te beschadigen. Zijn uitvinding was duur en werd aanvankelijk verkocht als luxeproduct, maar legde wel de basis voor een geheel nieuwe manier van meten.

Het stalen lint was een grote stap vooruit, maar in het gebruik nog omslachtig: het moest handmatig worden vastgehouden en weer worden opgerold. Dat veranderde in 1868, toen Alvin J. Fellows een rolmaat patenteerde met een veerretour en vergrendeling. Dankzij dit mechanisme rolde het lint automatisch terug in de behuizing en kon het tijdens het meten worden vastgezet. Meten werd daardoor sneller, nauwkeuriger en praktischer, ook bij langere afstanden.

Het ontwerp van Fellows vormde het fundament voor de moderne rolmaat. In de decennia daarna werd het verder verfijnd met metalen eindhaken, robuuste behuizingen en beschermende coatings. Hoewel er inmiddels ook digitale en lasermeetmiddelen bestaan, is het principe van de rolmaat nog altijd hetzelfde: een flexibel stalen lint, automatisch oprolbaar, waarmee nauwkeurig tot op de millimeter gemeten kan worden. Wat begon met rekbare linten en zware kettingen groeide zo uit tot een onmisbaar hulpmiddel op iedere werkvloer.


Van spierballen naar stopcontact, de geschiedenis van de boormachine

Boorzwengels, handboren en veel spierkracht

Boren is al eeuwenlang een vast onderdeel van het vak. Lange tijd gebeurde dat volledig met de hand. Vakmensen gebruikten boorzwengels, handboren en veel spierkracht om gaten te maken in hout of metaal. In werkplaatsen stonden zware kolomboren die via riemen werden aangedreven, vaak door stoommachines. Deze machines waren krachtig, maar ook groot, zwaar en vooral gebonden aan één vaste plek. Wie op locatie wilde boren, moest improviseren of het werkstuk verplaatsen

Lees verder

De eerste draagbare elektrische boormachine

Aan het einde van de negentiende eeuw kwam daar een belangrijke verandering in. In 1895 ontwikkelde Wilhelm Emil Fein in Stuttgart de eerste draagbare elektrische boormachine. Deze machine woog nog zo’n 7,5 kilo en had een relatief bescheiden motorvermogen, maar maakte iets nieuws mogelijk: elektrisch boren buiten de vaste werkplaats. Met deze uitvinding zette FEIN een grote stap in de richting van mobiel elektrisch handgereedschap

Handboormachine met pistoolgreep en trekker-schakelaar

De volgende ontwerpdoorbraak volgde in 1916, toen Black & Decker een handboormachine introduceerde met een pistoolgreep en trekker-schakelaar. Dit ontwerp was geïnspireerd op de vorm en balans van een revolver en maakte het mogelijk om de boor met één hand te bedienen. Daardoor kregen gebruikers meer controle en werd nauwkeuriger werken eenvoudiger. Dit principe bleek zo praktisch dat het al snel de standaard werd voor vrijwel alle handboormachines die volgden.

Draadloos boren

Na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde de boormachine zich verder. Slagmechanismen maakten het mogelijk om ook in hardere materialen te boren en de eerste stappen richting snoerloos werken werden gezet. Al in de jaren zestig verschenen experimenten met accu’s, maar pas in de jaren zeventig werd dit echt toepasbaar in de praktijk. In 1978 bracht Makita een boormachine op de markt met een uitneembare accu in de handgreep, waarmee draadloos boren voor een brede groep gebruikers bereikbaar werd.

Lichter, compacter en slimmer dan ooit

Vandaag de dag zijn boormachines compacter, lichter en slimmer dan ooit. Elektronica regelt het toerental, LED-verlichting verbetert het zicht en snelwisselkoppen maken werken sneller en prettiger. Ondanks al die vernieuwing is de basis nog steeds herkenbaar: het idee van mobiel boren, ontstaan in 1895, en de pistoolgreep uit 1916 vormen nog altijd het fundament van de moderne boormachine.


Werkschoenen: van robuust schoeisel tot veiligheidsschoen

Lang voordat veiligheidsnormen bestonden, droegen werkers vooral schoenen die tegen slijtage, kou en modder konden. Leren schoenen en laarzen met spijkers in de zool boden extra grip en gingen langer mee; deze techniek werd al in de oudheid toegepast, onder andere bij Romeinse soldaten. In Noordwest-Europa, en ook in Nederland, waren houten klompen vanaf de middeleeuwen (aantoonbaar vanaf de 13e eeuw) eeuwenlang het meest gebruikte werkschoeisel. Bescherming was daarbij vooral een logisch gevolg van stevig materiaal.

Lees verder

Introductie gevulkaniseerd rubber

In de negentiende eeuw kwam een belangrijke verandering met de introductie van gevulkaniseerd rubber. In 1839 ontdekte Charles Goodyear het vulkanisatieproces, waardoor rubber stabiel en bruikbaar werd voor schoeisel. Halverwege die eeuw verschenen rubberlaarzen in landbouw en industrie, waardoor werken in natte omstandigheden aanzienlijk prettiger werd.

Intreding verstevigde neuzen

De echte omslag volgde aan het begin van de twintigste eeuw. Door snelle industrialisatie en mechanisatie nam het risico op letsel toe. Schoenen kregen dikkere zolen en een stevigere opbouw, en voor het eerst werd bewust nagedacht over voetbescherming. Verstevigde neuzen deden hun intrede en fabrikanten zoals Bata maakten werkschoenen vanaf de jaren 1910–1930 op grote schaal beschikbaar voor arbeiders in fabrieken en op bouwplaatsen.

In de jaren dertig werd teenbescherming concreet vastgelegd en werden de eerste moderne veiligheidsschoenen met stalen neuzen ontwikkeld en gepatenteerd. Deze moesten beschermen bieden tegen vallende objecten en machines. Na de Tweede Wereldoorlog groeide arbeidsveiligheid uit tot beleid en wetgeving, en werden werkschoenen onderdeel van persoonlijke beschermingsmiddelen.

Vandaag de dag

Vandaag voldoen veiligheidsschoenen aan vastgestelde normen. In Europa is dat EN ISO 20345, waarin is vastgelegd waaraan een veiligheidsschoen minimaal moet voldoen, zoals een beschermende neus tegen impact en druk, aangevuld met classificaties voor eigenschappen als slipweerstand en penetratiebescherming. De meest recente update van deze norm dateert uit 2022.

De werkschoen van nu is daarmee het resultaat van een lange ontwikkeling. Wat begon als robuust schoeisel is uitgegroeid tot een doordacht hulpmiddel waarin veiligheid, draagcomfort en werkpraktijk samenkomen.


Het cilinderslot: van houten schuifpinnen tot moderne beveiliging

Lang voordat het moderne cilinderslot bestond, werden deuren afgesloten met systemen die we vandaag als eenvoudig zouden beschouwen. In het oude Egypte gebruikte men houten schuifpinnen die met een sleutel omhoog werden geduwd. Dit was in feite het eerste pin-tumblermechanisme, een principe dat duizenden jaren later de basis zou vormen voor het moderne slot. In Europa waren zware ijzeren hangsloten en klaviersloten eeuwenlang de norm. Ze deden hun werk, maar waren groot, onhandig en relatief makkelijk te manipuleren.


De oorsprong van het Yale‑cilinderslot

In de negentiende eeuw bracht Linus Yale Jr. een grote verandering teweeg in de wereld van sloten. Hij bouwde voort op het werk van zijn vader, Linus Yale Sr., die in de jaren 1840 experimenteerde met banksloten waarbij pennen op de juiste hoogte moesten worden gebracht. Yale Jr. wilde een compacter, veiliger slot dat moeilijk te manipuleren was en bovendien geschikt voor massaproductie. Tussen 1861 en 1865 ontwikkelde hij een ronde cilinder met pin tumblers en een platte, gezaagde sleutel - een enorme vooruitgang in een tijd waarin sleutels nog groot en zwaar waren. Zijn ontwerp was zo vooruitstrevend dat de vorm en het werkingsprincipe van zijn sleutel en cilinder nog steeds herkenbaar zijn in moderne sloten. Hoewel hedendaagse cilinders uiteraard veel beter beveiligd zijn, is het basismechanisme dat Yale Jr. introduceerde nauwelijks veranderd.


Van basisprincipe naar moderne beveiliging

Hoewel het basisprincipe hetzelfde is gebleven, heeft de techniek zich sindsdien sterk ontwikkeld. Er kwamen beveiligingspinnen tegen lockpicking, systemen die breken of bumpen tegengaan en masterkey-oplossingen voor grotere gebouwen. Vanaf de jaren zeventig werden gepatenteerde sleutelprofielen geïntroduceerd om ongeautoriseerd kopiëren te voorkomen. Dat leidde tot sleutelcertificaten en professioneel sleutelbeheer, die vandaag de dag nog steeds een belangrijk onderdeel vormen van moderne beveiliging.


Van patent tot museumstuk

Het oorspronkelijke patentmodel van Yale’s slot uit 1865 bestaat nog steeds en wordt tentoongesteld in het Lock Museum of America. Het is een tastbare herinnering aan een uitvinding die anderhalve eeuw later nog altijd de basis vormt van onze deurbeveiliging.


Gunters & Meuser en schaatsen: een verrassend zijspoor

Gunters & Meuser staat bekend als ijzerwarenhandel voor vakmensen, maar in de lange geschiedenis van het bedrijf zijn ook verrassende zijpaden te vinden. Rond 1900, in een tijd waarin Nederland massaal het ijs op ging en schaatsen enorm populair was, liet Gunters & Meuser een partij schaatsen produceren. Het ging om een Linschoter-model dat werd gemaakt door een Duitse fabrikant in Remscheid, met de naam Gunters & Meuser zichtbaar in het ijzer geslagen. Het was geen vast onderdeel van het assortiment, maar een bewuste keuze om op dat moment aan te sluiten bij wat klanten bezighield.

Decennia later keert dit bijzondere uitstapje nog één keer terug. In de jaren zestig en zeventig verschijnt opnieuw een grote partij schaatsen op de markt, dit keer geproduceerd in Japan en in Nederland verder afgemonteerd. Ook dit bleef een eenmalige actie, ingegeven door een nieuwe golf van schaatsenthousiasme.

Deze momenten laten zien hoe Gunters & Meuser door de jaren heen meebewoog met de tijd. Altijd met een stevige basis in ijzerwaren en gereedschap, maar met oog voor wat klanten op dat moment nodig hadden, zelfs als dat tijdelijk iets heel anders was dan verwacht.

Geschiedenis van...

De rolmaat


De boormachine


Werkschoenen


Het cilinderslot


Gunters & Meuser en schaatsen


Maandelijkse actiepuzzel